Begrippenlijst
Aanzetstuk. Zandstenen ornamenten bij klokgevels van waaruit de zandstenen banden van de klok ontspringen.
Acanthus. Plant, ook wel bekend als berenklauw, waarvan de bladeren dienden als motief voor ornament in de bouwkunst, al vanaf de klassieke oudheid.
Alliantiewapen. Gecombineerde wapenschilden van families die door een huwelijk met elkaar zijn verbonden.
Anker. Een staaf van smeedijzer, waarmee de balken aan de gevel zijn bevestigd. Soms versierd.
Architraaf. Het onderste dragende deel van de klassieke kroonlijst.
Attiek. Verhoging van een gevel boven de kroonlijst.
Baluster. Spijl van een trapleuning of -hek. Ook toegepast in balustrades op gevels.
Basement. Onderzijde van een zuil. Ook wel de onderste geleding van een gevel, in Amsterdam vaak met natuursteen bekleed, terwijl de gevel daarboven van baksteen is.
Binnenplaats. Open ruimte tussen voor- en achterhuis, meestal naast het tussenlid tussen voor- en achterhuis.
C-voluut. Voluut in de vorm van een C.
Cartouche. Zandstenen versierde omlijsting, toegepast rond een hijsbalk, een rond raampje of een jaartalsteen.
Cassettenplafond. Een plafond bestaande uit regelmatige vierkante vakken.
Console. Kraagsteen of houten kraagstuk dat dient om een balk, kroonlijst of boog te ondervangen.
Deuromlijsting. Een versiering rond een ingangspartij.
Dubbel huis. Het gewone smalle stadshuis heeft drie raamtraveeën, het dubbele huis is een huis gebouwd op twee kavels en is dus twee keer zo breed als gewone, smalle huizen, en heeft doorgaans vijf raamtraveeën. Een dubbel huis heeft doorgaans een dwarskap, of twee dwarskappen achter elkaar, maar het komt ook voor dat twee kappen loodrecht op de straat staan, al dan niet met een dwarskap aan de straat.
Dwarshuis. Een huis evenwijdig aan de rooilijn.
Dwarskap. Een kap evenwijdig aan de rooilijn.
Festoen. Slinger van gehouwen of gesneden bladeren, afkomstig uit de klassieke architectuur.
Fries. Het vlakke deel van de klassieke kroonlijst.
Fronton. Bekroning van een gevel, venster, deur, etc. naar klassieke trant door een driehoekig of segmentvormig lichaam.
Gevelsteen. Een gebeeldhouwde zandstenen plaat, meestal aangebracht op de voorgevel, bedoeld als huisteken.
Grisaille. Een klein schilderwerkje, vaak aangebracht boven een deur, waarbij men alleen maar tinten aanbrengt, zoals grijs of bruin.
Kapiteel. Kopstuk van een zuil, pijler of pilaster.
Keurtuin. Grachtentuin waarvan de bestemming als tuin wordt beschermd per keur.
Klauwstuk. Uit- en ingezwenkt zij- of vleugelstuk van een geveltop, raamomlijsting, etc.
Kroonlijst. De horizontale lijst in de klassieke architectuur gedragen door zuilen, pilasters of consoles.
Kuif. Bundel rechtopstaande veren of acanthusbladeren.
Liseen. Een pilastervormige uitspringende verticale muurbekleding, die over de gehele lengte van de gevel loopt.
Middenrisaliet. Een risaliet in de middelste travee van de gevel.
Oeuil-de-boeuf. Vertaald in het Nederlands: Osseoog. Klein rond, ovaal of achthoekig raam in de gevel van een gebouw.
Pilaster. Een vierkante, platte zuil, die in het muurwerk is opgenomen als een variant van de halfronde zuil.
Pothuis. Laag aanbouwtje aan de gevel, doorgaans in open verbinding met het souterrain, meestal bij hoekhuizen waar geen ruimte is voor een binnenplaats.
Risaliet. Een iets vooruitspringend gedeelte van de gevel, minstens één raamtravee breed en over de gehele hoogte doorlopend.
Rollaag. Reeks van gemetselde stenen op hun kant.
Segmentboog. Boog die minder dan een halve cirkel beschrijft.
Stoep. Strook voor het huis dat is geprivatiseerd door de eigenaar en meestal met hardsteen is belegd. De term wordt ook wel gebruikt als synoniem voor een hardstenen trap vóór het huis op de bedoelde strook.
Timpaan. In het fronton besloten, halfrond of driehoekig, veld, vaak met beeldhouwwerk gevuld.
Voluut. Spiraalvormige versiering, oorspronkelijk van Ionische en Korinthische kapitelen, die ook zelfstandig voorkomen.
Voorhuis. Tot halverwege de 17de eeuw de ruimte in het huis direct achter de voordeur, die als overgangsgebied fungeert tussen straat en huis en meestal in gebruik was voor een bedrijf, ambacht of winkel. Vanaf de 2de helft van de 17de eeuw wordt hiermee echter de bouwmassa van het grachtenhuis tot aan de binnenplaats bedoeld, terwijl daarachter het achterhuis ligt.
Zaal. Een groot, goed gedimensioneerd vertrek voor representatieve doeleinden, gelegen op de hoofdverdieping van het achterhuis van een grachtenhuis.
Zadeldak. Het gebruikelijke type kap in Amsterdam met twee vrij stijl lopende dakvlakken.
![]()
Laatste wijziging: april 2020


