Singel 167-185 
P.C. Hoofthuis
Naam: P.C. Hoofthuis
Adres: Singel 167-185
Spuistraat 128-134
Oud adres: 167: G377, wijk 23, klein nr. 161, kadaster F1341, verponding 2819
169: G376, wijk 23, klein nr. 160, kadaster F1340, verponding 2818
171: G375, wijk 23, klein nr. 159, kadaster F1339, verponding 2817
173: G372, wijk 23, klein nr. 156, kadaster F1307, verponding 2814
175: G371, wijk 23, klein nr. 155, kadaster F1336, verponding 2813
177: G370, wijk 23, klein nr. 154, kadaster F1335, verponding 2812
179: G366, wijk 23, klein nr. 150, kadaster F1333, verponding 2808
181: G364, wijk 23, klein nr. 148, kadaster F1331, verponding 2806
183: G363, wijk 23, klein nr. 147, kadaster F1330, verponding 2805
185: G362, wijk 23, klein nr. 146, kadaster F1329, verponding 2804
Postcode: 1012VK
Gebouwtype: Onderwijs/wetenschap
Bouwstijl:
Hedendaags
Bouwjaar: 1980-1984
Architect: Th. Bosch en A. van Eyck
(12 afbeeldingen)
Voor deze nieuwbouw voor de Letterenfaculteit is bijna een geheel bouwblok tussen Singel en Spuistraat in beslag genomen. Massaliteit is getracht te verzachten door een indeling in vooruitspringende paviljoens (waarvan de laatste in omvang aansluit bij het Witte Huis, Singel 187). Door insnoeringen geleed en door het benadrukken van de verticaliteit poging tot aanpassing aan de omgeving. Het gebouw heeft zeven lagen. Gezichtsbepalend is ook de grote hijskraan op het dak (maar vormde geen onderdeel van het ontwerp). Typische structuralistische architectuur van Theo Bosch en oorspronkelijk ook Aldo van Eyck, met erkers, vides en trappen. De passage is helaas nu afgesloten. Voorbeeld van Post '65 architectuur uit de periode 1966-1990.
De 100 m lange Letterenfaculteit van de UvA neemt een geheel bouwblok in tussen de Spuistraat en het Singel. De gevel van het gebouw, in 1977 ontworpen door de architecten Theo Bosch en Aldo van Eyck, is een aantal keer onderbroken door diepe sleuven waardoor de gebouwdelen zich als vooruitspringende paviljoens manifesteren. De architecten hebben hiervoor gekozen om de enorme lengte van het gebouw visueel te breken en voor een betere aansluiting met de aangrenzende gebouwen, maar ook om voldoende lichtinval te garanderen. Licht en ruimte waren voor Bosch en Van Eyck belangrijke begrippen en het menselijk welzijn stond centraal. Omdat deze sleuven zowel aan het Singel als de Spuistraat voorkomen, is de minimale breedte van het gebouw daar waar de insnoeringen samen komen slechts 2,5 m. Het Witte Huis (Singel 187) is daarbij als uitgangspunt genomen en is opgenomen in het totaalontwerp (zie de vogelschets).
Van Eyck heeft meegewerkt, maar haakte af naar aanleiding van het doortrekken van de begane grond, wat hij een inbreuk vond op de structuralistische opzet van het gebouw. Het gebouw heeft een betonconstructie die bestaat uit een ruggengraat van meanderende balken die door zware kolommen wordt gedragen. Aan weerszijden van deze ruggengraat bevindt zich een skelet van geprefabriceerde betonbalken en -kolommen.
Het PC Hoofthuis wordt een hoogtepunt van het Nederlandse structuralisme genoemd. Het gebouw heeft inwendig een gevarieerd karakter door alle trappen, vides en erkers, waardoor het bijna een stad op zichzelf is. Het entreegebied is bedoeld als publieke ruimte. Op de eerste drie verdiepingen zijn centrale voorzieningen gehuisvest, zoals de bibliotheek en de kantine. Daarboven liggen lesruimten en werkkamers. Ook het interieur is door het architectenbureau ontworpen en wordt gekenmerkt door kleuren die de routing door het pand aangeven. Op aandrang van Bosch werd een mix van functies in het gebouw ondergebracht, wat moet bijdragen aan een levendig en menselijk straatbeeld. Bosch plande een boetiek, boekwinkels en een café. Tegen zijn bedoelingen in werd het gebouw door hekken steeds meer afgesloten. Ook het dak is niet de groene oase geworden die Bosch had gewild.
De UvA gaat het gebouw verkopen. Een herbestemming is dus op komst. Er zijn al meerdere voorstellen voor een nieuwe bestemming gedaan. Een renovatie zal mogelijk gevolgen hebben voor de aanwezige monumentale waarden.
Gebruikte literatuur:
- Theo Koster. 'Letterenfaculteit Universiteit van Amsterdam. Een dienstbaar gebouw'. De Architect (sept. 1984): p. 80-85
- Hans van Heeswijk en Paul de Ley. 'Gebouw voor de faculteit der letteren te Amsterdam'. Bouw 13 (juni 1986): p.36-41
- Inventarisatie architectuur post-'65. Amsterdam: Bond Heemschut, 2019
Monumentenstatus: GM
Monumentennummer: 200846
Adres: Singel 167-185
Inschrijvingsdatum: 13-10-2015
Redengevende omschrijving: Stedenbouwkundige context
Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw kreeg de Amsterdamse binnenstad te maken met verkeersdoorbraken, grachtdempingen en schaalvergrotingen. Bankgebouwen, warenhuizen en verzekeringskantoren markeerden de bebouwing langs de nieuw uitgelegde straten, maar ook in de stadskern binnen de singels. Terwijl in de grachtengordel de schaalvergroting incidenteel plaatsvond, volgden aan de Spuistraat en de Nieuwezijds Voorburgwal fors bemeten gebouwen, als het Post- en Telegraafkantoor (1899), de KAS-bank (1908/1932) en het Bungehuis (1934), elkaar op. Dit proces van cityvorming verliep niet zonder slag of stoot. Zowel vanuit oudheidkundige verenigingen als vanuit de burgerij en uit architectenkringen was er voortdurend kritiek op deze aantasting van de historische structuur en het verdwijnen van ‘stadsschoon’.
In eerste instantie betrof het onsamenhangende plannen en voorstellen, totdat de gemeente in 1955 de Nota Binnenstad publiceerde. In de Nota werd gesteld dat voor het in stand houden van de centrumfunctie nodig was krachtige maatregelen te nemen zoals verkeersdoorbraken en buurtsaneringen. Voorbeelden van de ‘wederopbouwplannen’ waren de aanleg van de metro en de IJ-tunnel en de sanering van de Nieuwmarktbuurt. De gevolgen van de nota veroorzaakten een golf van protesten die in 1966 tot uitbarsting kwamen met het besluit tot de bouw van de ABN-bank in de Vijzelstraat. Heemschutters, maar ook jonge architecten trokken ten strijde tegen het stadsbestuur en de cityvorming, onder het motto ‘Amsterdam door de bank genomen’. De bank werd gebouwd, maar de protesten gaan door. Het omslagjaar is 1975. Na de Nieuwmarktrellen ging het roer om en legde de overheid zich toe op het realiseren van sociale woningbouw met het behoud van de binnenstadswijken als uitgangspunt ('bouwen voor de buurt'). Een van de gevolgen was de revisie van het gemeentelijk wederopbouwplan voor de Nieuwmarktbuurt. Dit was de eerste grote stedenbouwkundige opgave voor het bureau van Van Eyck en Bosch. Het door Theo Bosch gemaakte stedenbouwkundig plan betekende een rehabilitatie van de oude stad als woonmilieu. Het oude stratenpatroon werd hersteld en de gaten die waren geslagen voor de metro, werden ingevuld met woonprojecten, aansluitend bij het Forum-gedachtengoed. De mens stond centraal. In plaats van een analytische en monofunctionele omgeving werd op elk schaalniveau uitgegaan van de menselijke, multifunctionele samenleving, wat inhield dat stedenbouw en architectuur met elkaar werden verbonden. In dezelfde periode dat Bosch aan het stedenbouwkundig plan voor de Nieuwmarktbuurt werkte, in de tweede helft van de jaren 70, kwam het ontwerp voor de Letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam (UvA) tot stand. Het bouwwerk werd op het terrein van het voormalige Twentsche Bankcomplex, tussen de Spuistraat en het Singel, gerealiseerd.
Een interessante plek. Niet alleen grenst de zuidzijde van het blok aan een van de doorbraken uit het laatste kwart van de 19de eeuw, maar het gat dat het bankcomplex achterliet had forse maten. Bovendien is het bouwblok min of meer tussen de grachtengordel en de oude stadskern gesitueerd. Zo staat aan de Spuistraatzijde het postkantoor van Peters en worden de smalle drie vensterassen brede panden aan de overzijde van het Singel afgewisseld door de grote kantoorgebouwen aan de Driekoningenstraat. Aanvankelijk zou het Witte Huis, een voormalige verzekeringskantoor naar het Jugendstil ontwerp van J. Verheul uit 1899-1901 aan de Raadhuisstraat, worden afgebroken, maar het bouwwerk bleef, evenals de panden aan de Torensteeg, bewaard, waardoor het bouwterrein voor Bosch zich kenmerkte door een langgerekte naar het zuiden lichtelijk taps toelopende strook, aan de zuidzijde begrensd door het relatief hoge verzekeringskantoor en aan de noordzijde door de relatief lage winkel/woonhuizen, kenmerkend voor de radiaalstraten. Het Witte Huis werd in het gevraagde vloeroppervlak van minimaal 8500 m2 opgenomen.
Cruciaal in het werk van Bosch was de wens om met het gebouw iets aan de stad terug te geven. In tegenstelling tot de gewraakte monolithische bankgebouwen moest het faculteitsgebouw zich ondanks zijn afmetingen voegen naar de bestaande bebouwing. Daarnaast moest het gebouw de levendigheid van de stad weerspiegelen. Terwijl de bankemployees alleen rond 9 en 17 uur in en uit stroomden, hebben studenten een minder strikte dagindeling wat het leven rond het gebouw intensiveerde.
Het faculteitsgebouw sluit op verschillende manieren aan op de omgeving. Het bouwwerk overbrugt het verschil in hoogte tussen de winkel/woonhuizen aan de Torensteeg en het Witte Huis. Uitgangspunt voor de onderbouw was de hoogte van de pui van het verzekeringskantoor. De gevelgeleding boven de onderbouw wordt bepaald door verjongende torenachtige elementen van verschillende grootte die elk werden geleed met drie zich over meerdere verdiepingen uitstrekkende erkers, wellicht verwijzend naar de drie vensterassen brede grachtenpanden. Aan de Spuistraat zijn zo vier clusters, aan de Singelzijde vijf clusters gecreëerd, waardoor de suggestie van meerdere gebouwen wordt gewekt. In het oorspronkelijke ontwerp werd dit versterkt door de meerdere ingangen en door een openbare passage van de Spuistraat naar het Singel, maar in verband met veiligheid en controle zijn de twee zuidelijke ingangen dichtgezet en is de passage aangepast met ingangsdeuren. Om de overgang van buiten naar binnen - van de grote stad naar de kleine stad - te verzachten paste Bosch een schuine stoep van glazen bouwstenen toe.
Typologie
Niet alleen in zijn verschijningsvorm, maar ook in zijn functionaliteit sluit het faculteitsgebouw aan bij de omgeving. Het bouwwerk kenmerkt zich door een onderbouw van drie bouwlagen. In deze onderbouw zijn de meest intensief gebruikte ruimten ondergebracht. De gebruikersintensiteit neemt naar boven toe af. Alle ruimten zijn gegroepeerd langs de binnenstraten die zich op elke verdieping over de lengteas uitstrekken. Ondergronds kunnen de fietsen worden gestald. In de kelder en op de begane grond kwamen vergaderruimten. Oorspronkelijk was op de begane grond ook een aantal winkels gedacht. In de huidige situatie is naast de ingang aan de Singelzijde een winkel gerealiseerd. De eerste en tweede verdieping wordt voornamelijk ingenomen door de bibliotheek. Boven de ingangen - de voormalige passage - kwamen op de eerste verdieping twee collegezalen. De kantine werd ingericht op de derde verdieping. Ter weerszijden van de kantine en op de overige verdiepingen kwamen de werkgroepkamers en de kamers voor de staf en het personeel. De werkgroepkamers zijn hier de structurerende elementen. Vrij gesitueerd aan de binnenstraat vormen de werkgroepkamers de kern van de torenachtige elementen. De personeelskamers zijn in een halve krans om de werkgroepkamers gelegen en vormen zo de schil van de elementen.
Tegenwoordig wordt het gebouw ontsloten aan de noordzijde, zowel aan de Spuistraat- als aan de Singelzijde. De overige ingangen, aan de zuidzijde worden niet gebruikt. Er zijn twee liftgroepen. Vanuit de voormalige passage zijn er twee liften aan de Spuistraatzijde. De tweede liftgroep van eveneens twee liften bevindt aan de Singelzijde, bij de oorspronkelijke zuidelijke toegang. Achter de liftkokers gaan hellingbanen af naar de fietsenkelder. Afgezien van het noodtrappenhuis in de noordoosthoek is er geen centraal trappenhuis, maar zijn er steektrappen langs de binnenstraat geplaatst. De diverse installaties zijn zowel in de kelder als op de zevende verdieping gesitueerd.
De hoofdconstructie is samengesteld uit betonnen rechthoekige kokerkolommen die ter weerszijden van de binnenstraten zijn gesitueerd en kleinere kolommen die in de gevel zijn geplaatst. Hierop steunen geprefabriceerde balken. Door de schachten zijn de leidingen getrokken.
De oorspronkelijke indeling van Het Witte Huis met een centraal geplaatst trappenhuis en de verschillende ruimten hieromheen gegroepeerd, is aangehouden. De houten kapconstructie is bewaard gebleven.
Architectonische verschijningsvorm
Exterieur
De verschijningsvorm van het faculteitsgebouw kenmerkt zich zowel in het exterieur als in het interieur door het idee dat een gebouw deel van de stad is en dat het stedelijk leven ook binnen wordt voortgezet. Belangrijke thema’s zijn openheid en toegankelijkheid. Zo is de begane grond geheel transparant en zorgde de passage oorspronkelijk voor een soepele overgang. Aardig is de wijze waarop de collegezalen boven de beide passagetoegangen zijn gesitueerd. De constructie van de collegezalen met een halve cirkel en radiaalsgewijs geplaatste balken en kolommen is als een luifel boven de ingangen zichtbaar. Er was daarnaast ruimte in het ontwerp voor enkele winkels en een café, waardoor de levendigheid van de stad in het gebouw wordt voortgezet. De platte daken boven de onderbouw zijn voorzien van lichtkoepels. Ook op de verdiepingen wordt licht en lucht het gebouw ingebracht. Als een soort ruggengraat vormt de binnenstraat de basis van het gebouw, waartegen ter weerszijden de torenachtige elementen zijn geplaatst. Tussen de elementen lijkt het gebouw ‘ingesnoerd’ tot - met name op de hogere verdiepingen - de breedte van de binnenstraat. De transparante gevels zorgen ervoor dat de binnenstraten ook op de verdiepingen het karakter van een straat hebben.
In tegenstelling tot de bakstenen gevels die veel van de gevreesde monofunctionele bouwwerken kenmerkten, is de faculteit voorzien van een minder massieve gevelbekleding. De verticale geleding wordt bepaald door smalle ronde betonnen kolommen waartussen aluminium gevelelementen zijn aangebracht. Elk torenachtig element is voorzien van drie erkers; de hoeken zijn afgerond. De horizontale geleding wordt bepaald door de kunststof panelen tegen de borstweringen. Dit ritme wordt doorbroken op de begane grond en ter plekke van de bibliotheek en kantine, waar de panelen tegen de borstwering ontbreken en de vensters tussen de kolommen zijn verdeeld in vier verticaal geplaatste ramen. Op de eerste tekeningen die bij de vergunningsaanvraag werden ingediend stonden hier grote transparante erkers aangegeven, maar in de loop van het aanvraagproces zijn deze verdwenen. De reden is vooralsnog onduidelijk. De panelen tegen de borstweringen zijn lichtgrijs. Oorspronkelijk was een groot deel van de ramen geel, maar in de loop der tijd zijn deze een stuk valer verkleurd. Alle vensters zijn voorzien van de oorspronkelijke ‘rolluiken’ van geperforeerd aluminium. De gevels worden beëindigd door betonnen dakranden met ronde uitstulpingen boven de kolommen. Kenmerkend voor het werk van Bosch zijn de halfronde details, zoals de uitstulpingen, het afgeronde dak boven het centrale trappenhuis en de luifels boven de liftopbouwen op het dak. In het ontwerp was voorzien in daktuinen op de platte daken, maar deze zijn nooit uitgevoerd. In het oog springend is de kraanconstructie op het dak ten behoeve van het glazenwassen. Vermeldenswaardig is het logo van de UvA dat in een betonnen wand van een installatieruimte op het dak in reliëf is afgebeeld. Daarnaast is de takelconstructie - in de kenmerkende gele kleur - naast de ingang aan de Spuistraat het vermelden waard.
Interieur
Niet alleen het exterieur, maar ook het interieur van de faculteit sluit aan op het stedelijk weefsel. Op elke bouwlaag is een binnenstraat over de lengte van het bouwwerk ‘uitgelegd’, waaraan de verschillende ruimten zijn gesitueerd. De meeste ruimten, zoals bijvoorbeeld de werkgroepruimten, zijn voorzien van glazen puien. De structuur met de binnenstraat is doorgezet in de kantine en de bibliotheek. De binnenstraat loopt door over het midden van de kantine, waardoor de suggestie van een plein wordt gewekt. Tussen de twee torenachtige elementen aan de Singelzijde is de keuken gesitueerd. De bibliotheek strekt zich over vrijwel de gehele eerste en tweede verdieping uit. Terwijl de binnenstraten de horizontale verbinding maken, zorgen de verschillende vides in de bibliotheek voor de verticale verbinding. De steektrappen zijn veelal in erkers tegen de binnenstraat geplaatst.
Kenmerkend voor het karakter van het interieur is de informele sfeer, bewerkstelligd door de talloze hoekjes, doorkijkjes en gebogen wanden van bijvoorbeeld de werkgroepkamers en hoeken ter hoogte van de insnoeringen aan de binnenstraat. De balkons aan de vides in de bibliotheek en de halfronde eindtreden van de houten trappen zijn, evenals de halfronde elementen in het exterieur, typisch voor Bosch. De aankleding is eenvoudig. De betonstructuur is grotendeels is het zicht gelaten. Tegen de plafonds zijn houten platen aangebracht. Met uitzondering van de natuurstenen vloer van de begane grond zijn de vloeren voorzien van gelig linoleum, dat waarschijnlijk later is aangebracht. Fraai zijn de houten (teak) deuren van de toiletruimten. De natuurstenen tegelvloer en de marmeren neuten zijn hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk. De gebogen grotendeels transparante houten wanden van de werkgroepruimten hebben per verdieping een kleur - groen, blauw en oranje. Bovendien is in de achterwanden gekleurd bouwglas verwerkt. Vermeldenswaardig zijn de vitrines die in de leidingschachten zijn uitgespaard. Her en der is het oorspronkelijke meubilair bewaard gebleven. Zo zijn er in de bibliotheek en in de kantine langs de gevels lange lichte houten tafels geplaatst, in de bibliotheek afgewisseld met dwarsgeplaatste tafels. De metalen poten zijn in hetzelfde blauw geschilderd als de metalen balustraden langs de vides. De media-units in twee lokalen in de kelder zijn oorspronkelijk. De ronde wanden van de twee collegezalen zijn vanuit de gang in het oog springend. De gestreepte textielbekleding is van Joost van Rooijen. In de zalen is weer de halfronde constructie met de radiaalbalken te herkennen.
In de loop der tijd is het onderwijs veranderd waardoor met name de ruimten in de kelder en op de begane grond van functie zijn veranderd. De vergader- en practicumruimten zijn tegenwoordig hoofdzakelijk media- en administratieruimten. In de kelder is een fitnessruimte ingericht.
De aankleding van de ruimten in het Witte Huis sluit geheel aan op de aankleding in het hoofdgebouw. Zo zijn de borstweringen geel, blauw of oranje en de deuren van teak.
Cultuurhistorische context
Een terugkerend thema voor de Universiteit van Amsterdam (UvA) is het zoeken naar ruimere huisvesting. De UvA groeide in de 20ste eeuw explosief, met name in de naoorlogse periode. In hetzelfde jaar dat de Nota Binnenstad verscheen, 1955, presenteerde de gemeente het Drie Kernen Plan. De huisvesting van de UvA werd gedacht in drie kernen: de medische faculteit rond het Wilhelmina Gasthuis in de Helmersbuurt, de bètafaculteiten rond het Roeterseiland en de alfafaculteiten rond de Oumanhuispoort, het Binnengasthuisterrein en de te verlaten panden van de Nederlandsche Bank. In de loop der tijd werd duidelijk dat het terrein voor de medische faculteit te klein was, evenals het gebied dat voor de alfafaculteiten was bedacht.
In de huisvestingsdiscussie stond een aantal vragen centraal. Zouden de universiteitsgebouwen geclusterd moeten worden? En zo ja, in de binnenstad of juist buiten de stad? Of juist verspreid over de stad? Terwijl de eveneens snel groeiende Vrije Universiteit werd geclusterd buiten de binnenstad, betrekt de UvA bij gebrek aan een toereikend vestigingsbeleid verschillende panden in het centrum. In 1966 verscheen een nieuwe nota: Vestigingsplaats Universiteit van Amsterdam. In de nota wordt bepleit de alfafaculteiten te vestigen op Uilenburg. Dit betekende sloop van een groot aantal woningen. Naast stemmen binnen de UvA was ook de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) tegen dit voornemen. Sinds de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs uit 1960 was de gemeente niet langer geheel verantwoordelijk, maar werden de gebouwen grotendeels gefinancierd door de rijksoverheid. Na een impasse van een aantal jaar dook een volgende optie begin jaren 70 op. De UvA huurde groot pand aan het Weesperplein en een aan de Jodenbreestraat. Daarnaast zou de universiteit dan het zogenaamde Derde Huurpand, een fors gebouw aan de Valkenburgerstraat, betrekken. Ook voor dit plan kwamen de handen niet op elkaar. Uiteindelijk werd overeengekomen dat de onderdelen van de Letterenfaculteit of in één groot pand werden ondergebracht, of in enkele bij elkaar gelegen gebouwen. OCW stelde vervolgens de universiteit in staat om het - fors bemeten - terrein van het voormalige Twentsche Bankcomplex te kopen, gesitueerd tussen de Spuistraat en het Singel, waarop de Letterenfaculteit zou verschijnen.
De opdracht kwam bij het bureau Van Eyk en Bosch terecht. Van Eyck was druk bezig met het Moederhuis aan de Plantage Middenlaan en Bosch ging met het ontwerp aan de slag. Later zou Van Eyck het ontwerpconcept claimen en zich er vervolgens weer van distantiëren, omdat hij het niet eens was met de uitwerking. Volgens Bosch was hijzelf geheel verantwoordelijk voor het ontwerp. Feit is dat in de communicatie met de gemeente structureel over ‘bureau Bosch’ werd gesproken. Niettemin vertoont de Letterenfaculteit duidelijke overeenkomsten in de vormentaal met het Moederhuis, in onder andere de samengestelde bouwdelen met de afgeronde hoeken, de transparantie, de verdiepte ingangen en de doorkijkjes.
Structuralistisch ontwerpen was in de jaren 70 karakteristiek voor het werk van Van Eyck en Bosch. De basis was in de jaren 60 gelegd door onder andere Van Eyck en Hertzberger in Forum. In reactie op het ‘kille’ modernisme werd een menselijke architectuur een belangrijk thema. Het was niet toevallig dat het structuralisme aansloeg bij het stedelijk activisme tegen de cityvorming in de jaren 60 en 70. De Letterenfaculteit en het Moederhuis worden beschouwd als hoogtepunten van het structuralisme. Volgens Hans van Dijk in Wonen TABK niet in de laatste plaats omdat in de ontwerpen de algemene kritiek op structuralistische gebouwen niet opgaat. Zo zou er in het structuralisme te dwangmatig met herhaling van elementen worden omgegaan, waardoor de structuralistische gebouwen te dominant aanwezig zijn. Juist de variatie in ruimtelijkheid van de Letterenfaculteit met de vides, de erkers en ronde hoeken is de kracht van het ontwerp en een uitnodiging om het gebouw te benaderen als een bezoeker van een stad.
Conclusie
De Letterenfaculteit heeft stedenbouwkundige waarde als in het oog springend en significant onderdeel van het bouwblok dat verder wordt begrensd door de Torensteeg, het Singel, en de Raadhuisstraat. Het universiteitsgebouw is architectuurhistorisch van belang vanwege de esthetische kwaliteiten die met name zijn gelegen in de variatie in ruimtelijkheid van het structuralistische ontwerp dat in hoofdvorm en detail gaaf is. Bovendien heeft het bouwwerk architectuurhistorische waarde als een van de hoogtepunten van het structuralisme en als zodanig van belang in het oeuvre van Bosch. Daarnaast heeft de faculteit cultuurhistorische waarde als tekenend voor de omslag in denken over de omgang met de stad, volgend op het stedelijk activisme in de jaren 60 en 70.
Bronnen
Stadsdeel Centrum, pandenarchief Spuistraat 134
Ruud Brouwers, ‘Architectuur ten dienste van het stedelijk milieu. Ontwerp faculteit Letteren Amsterdam door Bureau Van Eyck en Bosch’, Wonen TABK 7 (1978), p.10-14
Hans van Dijk, ‘Structuren en hun relativering. De faculteit der Letteren van Theo Bosch’, Wonen TABK 1 (1985), p. 8-17
Hilde de Haan, Ids Haagsma, Al die gebouwen van de Universiteit van Amsterdam, Haarlem 2000
Jeroen Schilt (Bureau Monumenten en Archeologie), Beschrijving Kantoorgebouw ABN Vijzelstraat 66 t/m 80, Keizersgracht 650, Kerkstraat 226, mei 2006
Marcel Teunissen, Theo Bosch. Knokken voor de stad, Rotterdam 2006
RM = Rijksmonument. Rijksmonumenten zijn gebouwen of andere objecten die van nationaal belang zijn. Bijvoorbeeld door hun schoonheid of door de geschiedenis van het pand voor Nederland. Nederland telt bijna 62.000 rijksmonumenten. Daarvan bevinden zich 6.635 in de Amsterdamse binnenstad (op 1 januari 2017). Vrijwel alle beschermde rijksmonumenten zijn geregistreerd in 1970.
GM = Gemeentelijk monument. Sommige panden hebben een bijzondere betekenis voor een stad, dorp of regio. In dat geval kan de gemeente zo'n pand op de gemeentelijke monumentenlijst plaatsen. In de Amsterdamse binnenstad bevinden zich 1.193 door de gemeente Amsterdam beschermde monumenten (op 1 januari 2017).
Redengevende omschrijving = Een beschrijving van de belangrijkste uiterlijke kenmerken van het object op het moment van opname op de monumentenlijst. De redengevende omschrijving heeft de status van juridisch document en geeft de reden aan waarom het object is geplaatst op de monumentenlijst. Meer informatie: cultureelerfgoed.nl.
Klik op de tabs voor informatie over dit object.
Laatste wijziging: juli 2023

